Belle étage

Standard

Foute vertalingen, namaak Renaissance en blaaskes. Dat is Het Schoon Verdiep in een notedop. En het ís een schoon verdiep. Veel schilderijen van meester Leys, chique, dagelijks geblonken en geboende parket en albasten beelden uit 16honderd én.

Iedereen denkt (niet heus iedereen, duh!) dat we te maken hebben met een gebouw uit de Renaissance. Ja en nee. Het spel is toendertijd rechtgetrokken en heel mooi versierd met vanalles en nog wat, maar door oorlogen, plunderingen en “cadeautjes voor die van oengs” schiet er in de negentiende eeuw nog maar weinig van over.

Eerst les Espagnoles, toen de Hollanders, de Oostenrijkers, de Pruisen (en wie weet wie nog allemaal) die ‘t Schoon Verdiep (belle étage in’t frans, was een iets hoger verdiepje voor het gezin van de meester. De knecht en de meid hadden hun verdiepje eronder…) kwamen bewonen, bekakken en leegplunderen. Onder de Spanjaarden werd de hele stad in de as gelegd (de Spanjaarden moesten notabene Antwerpen komen beschermen!) en zo ook het Stadhuis.

Wat er uit die tijd overblijft, zijn de muren (de vier buitenmuren) en een schouw in de touwzaal. Die schouw is volledig gemaakt uit albast (marmer, maar dan anders en blijkbaar serieus hittebestendig) en heeft dus alles overleeft.

De rest van versieringen die we hedentendage nog zien, zijn gemaakt in de negentiende eeuw. Veelal door Leys. Zo is er de kleine Leyszaal met afneembare panelen langs de wanden die zestiende eeuwse mensen voorstellen die onderweg zijn naar overal en nergens. Die panelen zijn pas in 1800 én gemaakt… Hoe dat kan? Met figuranten. Uit het Schipperskwartier…
Nog jaren later (twintigste eeuw) gingen de verhalen rond bij de bezoekers van het Stadhuis dat “onze pépé ergens op een schilderij staat”. Tja, ik denk niet dat mensen ooit al zo trots zijn geweest op “pépé den hoereloper”…

Al bij al was het zeer plezant en interessant dankzij de geweldige gids. Achteraf nog iets gaan drinken met de rest van de werkvloer en ja, ‘t was plezant…