Standard

Elke keer als ik in Antwerpen kom (toch een keer of vier per week) mis ik de stad. Met een vleugje nostalgie denk ik dan terug aan de tijd van vorig jaar. Door de natgeregende straten dweilen zonder doel, kerstcadeautjes zoeken die ik toch nooit kon kopen (wat nu wel anders is, sinds ik grootverdiener ben!) en af en toe iets lekkers drinken in de één of andere kroeg.
Maar altijd, weer of geen weer, warm of koud, nat of droog, altijd was er mijn kot. Mijn plaatsje in die anonieme stad. Mijn eigen eilandje waar ik veilig was voor alle gevaren die de stad herbergt.
Het was er warm, droog, gezellig (niet altijd even netjes, maar wél gezellig) en er was ook meestal wel wat voedzaams te vinden. Gezond nee, lekker ja.

Maar vooral, het was mijn plaatsje. Mijn stukje privé, mijn eigen kamertje. De enige plaats ter wereld waar ik echt kon doen en laten wat ik wou. Daar had niemand iets in te ruttetutten. Mijn hok waarin ik in alle vrijheid en blijheid mijn gangen ging. Tot bepaalde grenzen natuurlijk: geen (over)last bezorgen aan anderen, op geen enkel vlak. Daarom probeerde ik de radio niet te hard te zetten, mijn wekker af te zetten (en niet op snooz!) en niet té veel scheten te laten. Dat lukte natuurlijk niet altijd, maar we (de medebewoners en ik dus) kwamen tot een redelijke consensus. Het was leefbaar voor iedereen. Fijn dus.

Maar dat eigen hokje mis ik nu. Sinds ik terug thuis woon (sinds goed en wel augustus 2005) heb ik eigenlijk niet zo heel veel aanpassingsproblemen gehad. Tot deze week. Eigenlijk tot vandaag. Vandaag wilde ik niet naar huis. Echt niet. Alles was goed om nog maar even in Antwerpen te blijven.
“Naturlijk wil je helpen met de afwas. En met opruimen. En ik breng je graag nog even weg.”
En dan komt het moment dat de laatste kilometers toch moeten aangevat worden. Niet dat het ver is (Antwerpen Meer is iets van een 25 minuten zonder file) maar het is gewoon nóg een afstandje erbij. Naar een gemeenschappelijke ruimte. Fijn en zo om mensen te zien (lieve en goede en fijne mensen en al) maar toch: geen plekje voor mezelf. Geen eigen kamer (nooit gehad, behalve op kot) geen eigen bureau of werkkamer,…:alles delen.

En dat is niet fijn. Echt niet plezant. En ja hoor, ik kan wel iets huren. Een studiootje of een appartement. Alleen? Nee, dat  heb ik op kot al gehad. Ik wil samen met andere mensen een huis delen. Ergens. Het kan me niet schelen waar. Ergens waar ik thuis ben als nu, maar waar ik óók een eigen kamer heb.

Iemand zin?